/'no.dəx/
Herkomstafgeleid van nood zn met het achtervoegsel -ig
- waar behoefte aan is; wat noodzakelijk is
“Hij had het nodige gedaan om er een succes van te maken.”
“Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten.”
“Met natuurlijk dit verschil dat het toen niet nodig was om de stammen boven open vuur te houden als je ze samen moest voegen.”
- nogal talrijk
“Er waren de nodige vervelende lui, die onbeschoft, arrogant of verwend waren en ik deed mijn best om ze te vermijden.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nodigen
- form-ofgebiedende wijs van nodigen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nodigen
Vormennodiger(uninflected, comparative) · nodigst(uninflected, superlative) · nodige(inflected, positive) · nodigere(inflected, comparative) · nodigste(inflected, superlative) · nodigs(partitive, positive) · nodigers(partitive, comparative)