/ˈnoːit/
Originvan Middelnederlands nooit / noit / noint, dat vermoedelijk is gevormd uit een ontkennend partikel ne en ooit; in de betekenis van ‘bijwoord van tijd: op geen enkel tijdstip’ aangetroffen vanaf 1265
- op geen enkel eerder moment
“'La duquesa komt hier nooit,' zei Teresa. 'Ze woont in Barcelona en Parijs en New York. Ze heeft hier niets te zoeken.'”
“De meeste gezichten had ik nog nooit gezien.”
“Hind, die nooit eerder was aangezien voor iemand met een verantwoordelijkheidsgevoel, had zich hetzelfde afgevraagd. Haar conclusie was dan ook dat het niet alleen een klus was die ze in opdracht van ”
Source: Wiktionary — CC BY-SA 4.0