ˈuhu
HerkomstLeenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uilachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1809
- Bubo bubo een van de grootste uilen ter wereld, en vermoedelijk de op een na grootste uilensoort na de Blakistons visuil. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Strix bubo in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De vogel heeft zijn naam te danken aan zijn roep.
“Een oehoe kan muizen vangen.”
- geluid dat een oehoe, Bubo bubo, maakt
- informalgebruikt om iemands aandacht te trekken
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oehoeën
- form-ofgebiedende wijs van oehoeën
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oehoeën
Vormenoehoes(plural) · oehoetje(diminutive, singular) · oehoetjes(diminutive, plural)