ˈɔfər
HerkomstIn de betekenis van ‘gave (aan godheid)’ voor het eerst aangetroffen in 1100
- een gave aan een godheid
“Op die dag werden offers gedaan.”
“In alle tijdperken voor het onze heerste de overtuiging dat ons leven voor minstens de helft werd bepaald door goden of geesten, die door middel van gebeden en offers konden worden beïnvloed en die co”
- alles wat men met zelfverloochening afstaat
“Hij moest wat offers brengen, maar hij heeft het gehaald.”
- een zet waarmee men bewust een damschijf of schaakstuk laat slaan om een gunstigere positie op het bord te krijgen
“Zij bracht een offer en kwam daardoor in een betere positie.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
- form-ofgebiedende wijs van offeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
Vormenoffers(plural) · offertje(diminutive, singular) · offertjes(diminutive, plural)