ˈpalə(n)
Herkomstvan Middelnederlands palen ww , op te vatten als afgeleid van paal zn met het achtervoegsel -en
- unergativegrenzen aan
- unergativegeslachtsgemeenschap hebben
- transitivevan houten staken voorzien, met palen afzetten
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord paal
“Deze Terminus bestond uit een paar dikke palen die ik uitgeput omhelsde.”
“De Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig.”
Vormenpaalde(past) · gepaald(past, participle) · te palen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen palen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen palen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gepaald(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gepaald(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gepaald zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gepaald te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · palend(imperfect, participle) · ev.
paal(imperative) · pale(subjunctive) · paal(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · paalt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · paalt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · paalde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · paalde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · paalde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · paalden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · paalden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)