ˈparəl
Herkomstvan Frans perle, in de betekenis van ‘klompje paarlemoerstof in oester’ voor het eerst aangetroffen in 1287
- een hard, rond voorwerp bestaande uit parelmoer dat door bepaalde weekdieren (hoofdzakelijk oesters, soms slakken) wordt gemaakt, en dat opgevist wordt om als sieraad te dienen
“Haar moeder zat in een fauteuil aan de ene lange kant van de salontafel, keurig gekleed in een plissérok en een groene twinset, kasjmier waarschijnlijk, en een eenvoudige ketting met één rij parels.”
- bolvormig uitsteeksel aan de basis van een gewei van een hert
- figurativelybijnaam voor een talentvolle speler, die zich van andere (middelmatige) spelers onderscheidt, of een bedrijf, gebouw, gebied of eiland dat in schoonheid, strategisch belang of (commerciële) potentie boven de anderen uitsteekt.
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van parelen
- form-ofgebiedende wijs van parelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van parelen
Vormenparels(plural) · parelen(plural) · pareltje(diminutive, singular) · pareltjes(diminutive, plural)