form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord paar
verb
intransitivesamen met iets of iemand anders een paar/koppel vormen
transitivekoppelen, tot een paar maken, verbinden
“De chique, ruime schrijftafel van ebbenhout, die stijlvol was ingelegd met lichtere houtsoorten, die voor het raam was geplaatst naast de openslaande deuren naar het terras en die gepaard was aan een ”
intransitiveseksuele gemeenschap hebben, vooral van dieren gezegd
“Een reusachtige oranjetip schiet er tussendoor en aan de overkant gebeurt ook iets. Daar heeft een zwart-witte page een vrouwtje gevonden om mee te paren. Beide vlinders zijn klaar om een nieuwe gener”
“Ze grapte dat ze een zwarte weduwe was die haar mannetje na het paren opat.”