/ˈpɑʊzə/
OriginLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rustpoos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1482
- tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
“In de pauze van het werk ging hij naar huis om te eten.”
“De eerste vijfenhalf weken van de trail waren zwaar geweest en mijn lichaam was langzamerhand weer aan toe aan een kleine pauze.”
- onderbreking van iets in het algemeen
“Een pauze in de gevechten.”
Formspauzen(plural) · pauzes(plural) · pauzetje(diminutive, singular) · pauzetjes(diminutive, plural)