ˈpepər
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘specerij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
- gemalen korrels (gedroogde bessen) van Piper nigrum met een scherpe, hete smaak
- rode, Spaanse ~: een vrucht van een plant uit het geslacht Capsicum met een hete smaak
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peperen
- form-ofgebiedende wijs van peperen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peperen
Vormenpepers(plural) · pepertje(diminutive, singular) · pepertjes(diminutive, plural)