piˈjano
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘toetsinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1836
- algemene benaming voor een groot snaarinstrument waarvan de snaren via een toetsenbord (klavier) door hamertjes zacht of hard kunnen worden aangeslagen
“Er is veel muziek voor de piano geschreven of bewerkt.”
- specifieke benaming voor het "wandmodel" van instrument 1 waarbij het toetsenbord haaks op de kast staat
“Voor het inspelen was geen vleugel beschikbaar zodat ze zich moest behelpen met piano van de gastouders.”
- met een lage geluidssterkte
“Deze passage moet piano worden gespeeld.”
Vormenpiano's(plural) · pianootje(diminutive, singular) · pianootjes(diminutive, plural)