plɔns
OriginIn de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1772
- met het geluid van een in een vloeistof vallend voorwerp
“Bij de rivier neem je een steen die je in het stromende water gooit. Het effect is misschien niet goed te zien. Er komt een kleine rimpeling waar de steen door het oppervlak breekt en dan een plons, o”
“We baanden ons een weg door een paar struiken, balanceerden over een grote steile rots, bleven aan het uiterste puntje van een landtong staan en daar wierp ik het blinkertje uit. Het flitste door de l”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plonzen
- form-ofgebiedende wijs van plonzen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plonzen
Formsplonzen(plural) · plonsen(plural) · plonsje(diminutive, singular) · plonsjes(diminutive, plural)