plœym
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘veer, toef’ voor het eerst aangetroffen in 1265
- een veer
“Hij heeft een pluim op zijn hoed.”
- een compliment
“Ik gaf hem een pluim voor al zijn werk.”
- een bepaalde bloeiwijze
“Deze plant heeft pluimen in het voorjaar.”
- andere naam voor badmintonshuttle
- sliert uitgestoken damp, rook etc.
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluimen
- form-ofgebiedende wijs van pluimen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluimen
Vormenpluimen(plural) · pluimpje(diminutive, singular) · pluimpjes(diminutive, plural)