plœys
Originzn: afgeleid van pluizen ww "plukjes stof van iets afnemen", in de betekenis van ‘vlokje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1651
- vlok droge, lichte stof met een open structuur
- droge, lichte stof met een open structuur
“Er zweven momenteel zoveel pluisjes rond, is dat een teken dat er veel stuifmeel in de lucht zit? Nee, het pluis is afkomstig van populieren en komt pas vrij na de bloei van deze bomen.”
- zodat het deugt, in orde, naar behoren Het gebruik is beperkt tot de negatieve zin “niet pluis”
“"Wat doen ze daar geheimzinnig, dat is vast niet pluis."”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
- form-ofgebiedende wijs van pluizen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
Formspluizen(plural) · pluisje(diminutive, singular) · pluisjes(diminutive, plural)