OriginLeenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘grap’ voor het eerst aangetroffen in 1671
- grap die men met iemand uithaalt (vooral in de uitdrukking iemand een poets bakken)
“Zij hadden hem een flinke poets gebakken.”
- vloeibaar hulpmiddel om iets mee te poetsen
“Breng de poets erop aan.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poetsen
- form-ofgebiedende wijs van poetsen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poetsen
Formspoetsen(plural) · poetsje(diminutive, singular) · poetsjes(diminutive, plural)