ˈpotəx, /'potəx/
OriginIn de betekenis van ‘gespierd’ voor het eerst aangetroffen in 1802
- stevig uit de kluiten gewassen, weerbaar, ruig
“Met die potige kerel kun je beter maar uitkijken.”
“Want Emile, die een potige zakenman was geworden, steeds potiger en steeds meer zakenman, had een heel fijn gevoel.”
Formspotiger(uninflected, comparative) · potigst(uninflected, superlative) · potige(inflected, positive) · potigere(inflected, comparative) · potigste(inflected, superlative) · potigs(partitive, positive) · potigers(partitive, comparative)
Source: Wiktionary — CC BY-SA 4.0