ˈpovər
Herkomstvia Middelnederlands pover van Frans pauvre (< Latijn parvus). In de betekenis van ‘arm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1486
- teleurstellend klein of gering
“Dit is een pover resultaat.”
- obsoleteblijk gevend van armoede
“De materiële omstandigheden waren zeer pover.”
- bepaald soort kleine zangvogel met een opvallend oranje of roodbruin gekleurde keel, Erithacus rubecula
Vormenpoverder(uninflected, comparative) · poverst(uninflected, superlative) · povere(inflected, positive) · poverdere(inflected, comparative) · poverste(inflected, superlative) · povers(partitive, positive) · poverders(partitive, comparative)