/'pral/
OriginIn de betekenis van ‘pracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
- opzichtige schoonheid
“De praal van de feestjes van Paris Hilton is steeds een beetje overdreven.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pralen
- form-ofgebiedende wijs van pralen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pralen