prek
HerkomstLeenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘leerrede’ voor het eerst aangetroffen in 1599
- een stichtelijk betoog door een geestelijke in een kerkdienst
“Alles draait in dienst in Baptistenkerk om het thema dankbaarheid. Of het nu het gebed, de preek, een klein toneelspel of de tekst van psalmen, gezangen en liederen, is, alles daat erom dat mensen in ”
- overdrachtelijk: een vermanende toespraak
“Mijn moeder wil niet dat ik met hem omga en dus kreeg ik weer een hele preek.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
- form-ofgebiedende wijs van preken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
Vormenpreken(plural) · preekje(diminutive, singular) · preekjes(diminutive, plural)