prɪns
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vorst, koningszoon, adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in 1265
- hoogste adellijke titel van een man of jongen
- laagste koninklijke titel van een man of jongen
“Ook het eindpunt van de Ilias is verteltechnisch geraffineerd: de dood van de Trojaanse prins Hector, en verzoening van diens moordenaar Achilles met Hectors oude vader Priamus.”
“Het feest leek grootser dan dat van prins Charles en prinses Diana en getuigde van een volksverering van het slechte die zijn weerga niet kent, want deze Arkan stond al vanaf de jaren tachtig bij Inte”
Vormenprinsen(plural) · prinsje(diminutive, singular) · prinsjes(diminutive, plural)