prœym
HerkomstLeenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1377-1378
- masculinePrunus domestica een plantensoort uit de rozenfamilie (Rosaceae)
- vrucht van de pruimenboom
- de violette kleur van paarse pruimen (kunnen echter ook geel of rood zijn)
- pluk tabak om op te kauwen of te zuigen
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pruimen
- form-ofgebiedende wijs van pruimen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pruimen
Vormenpruimen(plural) · pruimpje(diminutive, singular) · pruimpjes(diminutive, plural)