ˈradə(n)
Herkomstvan Oudnederlands rādan, in de betekenis van ‘gissen, adviseren’ voor het eerst aangetroffen in 1100 .
- transitiveeen gissing maken naar iets
“Het antwoord kun je vast wel raden.”
“Mag ik raden wat er is gebeurd?”
- een advies geven
“Ik heb hem dat een aantal malen gezegd, maar hij was niet te raden.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord raad
Vormenraadde(past) · ried(past) · geraden(past, participle) · te raden(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen raden(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen raden(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geraden(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geraden(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geraden zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geraden te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · radend(imperfect, participle) · ev.
raad(imperative) · rade(subjunctive) · raad(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · raadt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · raadt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · raadde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · ried(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · raadde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · ried(indicative, imperfect, past, singular, second-person)