ˈra(t)siˌjo, /ra.tsi.jo/, /ra.si.jo/
OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rede’ voor het eerst aangetroffen in 1665
- verhouding, een verband in de vorm van een breuk tussen getalsmatige grootheden
“De ratio Franstaligen over Nederlandstaligen in België is 4/6.”
- een redenering, een onderliggende gedachte, beweegreden
“Wat is de ratio achter dit plan?”
- rede, het vermogen te denken en begrijpen
Formsratio's(plural)