rɛxt
HerkomstIn de betekenis van ‘gerechtigheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
“Volgens het recht mag ik hier niet lopen, maar ik doe het toch.”
- rechtvaardigheid, gerechtigheid
- zaak of omstandigheid die men mag opeisen en als zodanig het tegenovergestelde van een plicht
“bij elke transactie hebben beide partijen rechten en plichten”
- recht doen aan: wat de rechtvaardigheid vereist
“Ik geloof dat we allebei zochten naar een passende reactie, een die recht zou doen aan de grootsheid van de onthulling - maar mijn dochter werd ongeduldig.”
- niet krom
“Ik was op zoek naar een rechte stang, maar kon die niet vinden.”
- niet scheef
“Het schilderij moest nog recht gehangen worden.”
“Doordat de wind recht mijn kant opblies en het geluid van de donder steeds dichterbij kwam bleven mijn tranen stromen.”
- van 90°
“Door vervolgens een rechte hoek naar links te maken kwamen we weer precies op het startpunt uit.”
“Ik trek een stoel onder de tafel vandaan, draai hem om en ga recht tegenover haar zitten, waarbij ik mijn handen laat rusten op de rugleuning.”
- juist
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van rechten
- form-ofgebiedende wijs van rechten
Vormenrechten(plural) · rechtje(diminutive, singular) · rechtjes(diminutive, plural)