ˈrutə
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1643
- weg die men aflegt, weg die men van plan is af te leggen
“Een gps beschrijft de route die je moet volgen.”
“De avond van tevoren stippelde een van de vaders een route uit, die vaak niet over een vast bergpad, maar dwars over de bergen naar onze volgende bestemming, liep.”
“Huldiging: De spelersbus keerde gisteravond niet terug naar de Overijsselse stad. Morgen kunnen supporters de spelers toejuichen bij de huldiging. Het team maakt dan een rit langs de IJssel in een ope”
Vormenrouten(plural) · routes(plural)