ˈryzi
HerkomstIn de betekenis van ‘twist’ voor het eerst aangetroffen in 1644
- toestand waarin men in conflict is met anderen
“Zij kregen ruzie en keerden elkaar woedend de rug toe.”
“Dan komen er chips of pinda's in een bakje, en aanvankelijk zijn de jongens heel blij, maar dan kan het ook gebeuren dat er een paar minuten later ruzie is, zo vertelt de dominee.”
“Een moeder voor me trok woedend aan de bovenarm van haar kind, een stel maakte ruzie over het menu en een getatoeëerde man stond luid te bellen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruziën
- form-ofgebiedende wijs van ruziën
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruziën
Vormenruzies(plural) · ruzietje(diminutive, singular) · ruzietjes(diminutive, plural)