sxɑr
- bepaald soort platvis, Limanda limanda, die voorkomt in kustwateren van de noordoostelijke Atlantische Oceaan
“Zijn moeder had gepaneerde scharretjes gebakken, met aardappeltjes en botersla.”
“Het percentage platvissen met leverkanker en huidziektes langs de Nederlandse kust en in de Noordzee is de laatste paar decennia drastisch gedaald. Dit is te danken aan een verbeterde waterkwaliteit e”
- langgerekte verwonding van de huid
“⧖ Als vader een beer zag, dan beval hij aan een van ons: daar is een beer; gij, zoon, grijp dien beer... En wie den beer grijpen moest, kwam er wel af met een krauw en een schar; toch, hij greep den b”
- laatste aangekoekte rest die je uit een pan schraapt
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharren
- form-ofgebiedende wijs van scharren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharren
Vormenscharren(singular) · scharretje(diminutive) · scharretjes(diminutive, singular) · [B] schar(canonical)