sxɔk
HerkomstIn de betekenis van ‘telwoord:’ voor het eerst aangetroffen in 60
- een plotsklapse en hevige beweging
“Deze schok werd veroorzaakt door het verschuiven van twee tektonische platen.”
- een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
“Haar dood was een schok voor velen.”
“De aanraking kwam als een schok voor Teresa.”
“Het is een schok om dit braakspoor, deze schending, te zien.”
- een blootstelling aan een elektrische potentiaal
“Pas op, krijg geen schok van dat losse contact!”
- zestigtal
- twintigtal
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schokken
- form-ofgebiedende wijs van schokken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schokken
Vormenschokken(plural) · schokje(diminutive, singular) · schokjes(diminutive, plural)