HerkomstLeenwoord uit het Urdu, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1957
- een luitachtig snaarinstrument met een lange hals en een groot aantal snaren (meer dan twintig, een deel ervan ongedempt). De bolle resonantiekast is relatief klein, maar loopt door in de holle hals
“Het typische Indiase geluid van de sitar.”
Vormensitars(plural) · sitartje(diminutive, singular) · sitartjes(diminutive, plural)
Bron: Wiktionary