/slaːf/
HerkomstLeenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘lijfeigene’ voor het eerst aangetroffen in 1285
- een persoon die het bezit is van een ander
“Zij waren weinig meer dan slaven.”
- iemand die geheel afhankelijk van iets of iemand is
“Het leven van vrouwen in Saudi-Arabië is dat van slaven.”
“hij was een slaaf van zijn speelzucht”
“Velen van ons zijn slaaf van onze schulden geworden en ik was hierop geen uitzondering.”
- ondergeschikte in een sadomasochistische relatie
“in een sm-relatie zijn er meesters (of meesteressen) en slaven”
- apparaat of element dat (tijdelijk) ondergeschikt is aan een ander
“in een meester-slaaf-element is het niet duidelijk wie nu de meester en wie de slaaf is”
- iemand die behoort tot de Slavische volken (in Oost- en Zuidoost-Europa)
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slaven
- form-ofgebiedende wijs van slaven
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slaven
Vormenslaven(plural) · slaafje(diminutive, singular) · slaafjes(diminutive, plural) · Slaven(plural) · Slaafje(diminutive, singular) · Slaafjes(diminutive, plural)