slan
HerkomstOudnederlands slān, verder te herleiden tot Protogermaans *slahan-. Verwant met Duits schlagen en Engels slay, binnen het Nederlands doublet met slagen en slachten.
- transitiveeen klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
“Hij sloeg hem met de vuist op de kin.”
- het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
“De klok heeft al vier uur geslagen.”
- ergativeergens plotseling mee beginnen
“Het paard sloeg op hol.”
- een stuk van de tegenstander door een bepaalde zet uitschakelen
Vormensloeg(past) · geslagen(past, participle) · te slaan(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen slaan(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen slaan(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geslagen(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geslagen(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geslagen zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geslagen te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · slaand(imperfect, participle) · ev.
sla(imperative) · sla(subjunctive) · sla(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · slaat(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · slaat(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · sloeg(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · sloeg(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · sloegt(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · sloeg(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · sloegen(indicative, imperfect, past, plural, first-person)