/slap/
HerkomstIn de betekenis van ‘deel van zijvlak van het hoofd’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- periode van inactiviteit waarbij het lichaam tot rust komt
“Jan snurkt in zijn slaap.”
“Om vier uur 's ochtends viel Olive in slaap naast het schilderij.”
- behoefte aan slaap
“Ik heb zo'n slaap.”
“Voordat ik weer in slaap viel kreeg ik de gedachte aan zeven verschrompelde lijken in gesmolten slaapzakken niet uit mijn hoofd.”
“'s Ochtends was hij wakker geworden op de sprei van een van de bedden, met naast hem een vrouw - ze heette Laetitia - die nog diep in slaap was.”
- zijvlak van het hoofd tussen oog en oor
“De loop van het pistool raakte zijn slaap.”
- tot korstjes opdrogende afscheiding aan de oogleden
“Wanneer ik wakker word heb ik steeds slaap in mijn ogen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slapen
- form-ofgebiedende wijs van slapen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slapen
Vormenslaapje(diminutive) · slapen(singular) · slaapjes(diminutive, singular)