slep
Herkomstvan Middelnederlands sleep, naamwoord van handeling van slepen ww
- datgene wat gesleept wordt
“Hij had een sleepje om naar de garage te brengen.”
- een lange voortzetting van een jurk of rok die over de grond sleept
“Haar bruidsjurk had een lange kanten sleep.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
- form-ofgebiedende wijs van slepen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
- form-ofenkelvoud verleden tijd van slijpen
“Ik sleep.”
“Jij sleep.”
“Hij, zij, het sleep.”
Vormenslepen(plural) · sleepje(diminutive, singular) · sleepjes(diminutive, plural)