/slɛɪm/
Herkomstvan Middelnederlands slijm, in de betekenis van ‘kleverig vocht’ aangetroffen vanaf 1287
- kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
“Slijm is van groot belang bij het innemen van voedsel.”
- kleverige vloeistof
“‘Noem jij dat water? Het lijkt wel slijm!’ gromde hij.”
“Het water moest al heel lang niet gebruikt zijn, want het was bedekt met een dikke laag slijm en er steeg een smerige stank uit op nadat ik het had omgewoeld.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slijmen
- form-ofgebiedende wijs van slijmen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slijmen
Vormenslijmen(plural) · slijmpje(diminutive, singular) · slijmpjes(diminutive, plural)