/sloːt/
OriginIn de betekenis van ‘gegraven water’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 966
- smalle watergang om of tussen weilanden
“De auto vloog over een sloot en kwam in een weiland tot stilstand.”
- informalaanzienlijke hoeveelheid
“Ik heb vandaag al een sloot water gedronken.”
- form-ofenkelvoud verleden tijd van sluiten
“Ik sloot.”
“Jij sloot.”
“Hij, zij, het sloot.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van sloten
- form-ofgebiedende wijs van sloten
Formssloten(plural) · slootje(diminutive, singular) · slootjes(diminutive, plural)