snur
Herkomst[2-4]: In de betekenis van ‘koord, draad’ voor het eerst aangetroffen in 1286
- soepele elektriciteitskabel die binnenshuis gebruikt wordt
“Zit er aan dat snoer al een stekker?”
- ketting van een aantal aan een draad geregen voorwerpen
- buigzaam materiaal in een zeer langgerekte vorm waarmee je dingen kunt vastbinden of tussen dingen een verbinding kan maken
- dunne draad waaraan een of meer vishaakjes zijn bevestigd
- obsoletevrouw die tegen vergoeding seks heeft met mannen
“Ick sou leuen na dat hij mij betrout. Tes verdrietelijck dus mijnen tijt verslijten. Hoeren en snoeren wonder verwijten. Daer hi toe reden en heeft noch ick scout”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeren
- form-ofgebiedende wijs van snoeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeren
Vormensnoeren(plural) · snoertje(diminutive, singular) · snoertjes(diminutive, plural)