spɪts
Herkomstzn: vermenging van Middelnederlands spitse zn "puntig uiteinde" en Duits Spitze "top van berg of toren"
**[2] in de betekenis ‘meest aanvallende voetballer’ aangetroffen vanaf 1970
**[5] van Duits Spitz in de betekenis ‘hond van een bepaald ras’ aangetroffen vanaf 1867
**[6] (verkorting) van spitsbroeder
- grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
“Hij ging in de spits naar zijn werk.”
- binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
“Van de aanvallers is de spits meestal diegene die de meeste doelpunten maakt.”
“Even later tekende Lewandowski wel voor zijn tiende Champions League-treffer. Oud-Ajacied Maximilian Wöber ging het duel met de Poolse spits veel te lomp in, waarna Lewandowski zijn zelf verdiende str”
- klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
- scherp, puntig uiteinde, hoogste punt
“De spits van de kerktoren.”
- type hond met een spitse snuit, opstaande, vrij kleine oren, een dichte, afstaande vacht, een tamelijk steile achterhand en een krullende staart
- obsoletebeste vriend
- eerste stoot van een aanval (alleen nog in uitdrukkingen)
- in een punt uitkomend
“Hij kreeg de spitse pijl in zijn been.”
- scherpzinnig
“Ze gaf hem weer zo'n spits antwoord.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spitsen
- form-ofgebiedende wijs van spitsen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spitsen
Vormenspitsen(plural) · spitsje(diminutive, singular) · spitsjes(diminutive, plural)