spok
Herkomstvan Middelnederlands spoke, in de betekenis van ‘bovennatuurlijke verschijning’ aangetroffen vanaf 1477
- een veronderstelde geestverschijning die een bepaald gebouw of andere locatie onveilig maakt
“In dit kasteel is regelmatig een spook waar te nemen.”
- figurativelydoembeeld, schrikbeeld
“Het spook van een recessie.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
- form-ofgebiedende wijs van spoken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
Vormenspoken(plural) · spookje(diminutive, singular) · spookjes(diminutive, plural)