/spɔrt/
HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘lichamelijke bezigheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
- lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn
“Al is dit onderzoek inmiddels bijgesteld, een direct verband tussen industrialisering en de modernisering van sport blijft moeilijk vast te stellen.”
“Het makkelijkst is de invloed van industrialisering op sport misschien nog te verklaren op basis van harde cijfers: de toename in productiviteit en inkomen maakte ruimte voor sportieve vrijetijdsbeoef”
“Sommige fabrikanten zagen sport in hetzelfde licht als een middel tegen oprukkend socialisme, een disciplineringsinstrument om de werkende klasse mee in het gelid te houden.”
- spel
“Voor England was het een sport om zo zuinig mogelijk te leven.”
- trede van een ladder
- stoelspaak
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van sporten
- form-ofgebiedende wijs van sporten
Vormensporten(plural) · sportje(diminutive, singular) · sportjes(diminutive, plural)