stan, /staːn/
HerkomstIn de betekenis van ‘overeind zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- unergativezich in verticale toestand van rust bevinden op een vaste ondergrond
“Hij stond al een uur in de rij.”
“Decoraties en meubelstukken uit ver van elkaar verwijderde tijdvakken hingen en stonden elkaar met verwondering aan te staren.”
“Het is dan altijd verstandig om niet in je eentje te gaan en niet verder te zwemmen dan waar je kan staan.”
- auxiliary~ te: duratief hulpwerkwoord: tijdens het staan iets doen
“Hij staat buiten te telefoneren.”
“Hij heeft een hele tijd staan telefoneren.”
- auxiliary~ te: hulpwerkwoord van een, vaak dreigende, onmiddellijke toekomst
Vormenstond(past) · gestaan(past, participle) · te staan(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen staan(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen staan(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gestaan(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gestaan(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gestaan zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gestaan te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · staand(imperfect, participle) · ev.
sta(imperative) · sta(subjunctive) · sta(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · staat(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · staat(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · stond(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · stond(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · stondt(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · stond(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · stonden(indicative, imperfect, past, plural, first-person)