stat
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1265
- binnen een afgebakend grondgebied werkzame, in hoge mate soevereine organisatie die gezag uitoefent over de op dat grondgebied wonende bevolking
“De Verenigde Staten zijn de machtigste staat ter wereld.”
“Het pad voor me, niet meer dan 25 cm breed, zou mij door de staten Californië, Oregon en Washington leiden.”
- toestand of gesteldheid
“De staat van dienst van premier Van Rompuy is onberispelijk.”
“Dit was wel het laatste waar ik op dit moment op zat te wachten in mijn huidige, onzekere staat.”
- overzicht of lijst van iets, vooral van bedragen, baten en lasten
- form-oftweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staan
- form-ofderde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staan
- form-of, obsoletegebiedende wijs meervoud van staan
“Staat!”
“Nog zo'n typerende zwart-wit-foto is een groepsportret van een stel muzikanten uit Assen. Samen stonden ze bekend als de Showboot, een soort revuegezelschap waarmee ze langs feestzalen gingen. Harry M”
Vormenstaten(singular) · staatje(diminutive) · staatjes(diminutive, singular) · staten(plural) · staatje(diminutive, singular) · staatjes(diminutive, plural) · [C](canonical)