stɑrt
Herkomstvan Engels start, doublet met storten.
- begin van een wedstrijd
“De start van de competitie.”
- aanvang, begin, eerste fase van iets in het algemeen
“Na een aarzelende start van Lobbes spoorde ik Lot aan om te zeggen hoe zij zich voelde.”
“Maar ik wil graag een nieuwe start maken.”
“De familie zette ons die middag af bij de start van onze route en nam hartelijk afscheid van ons.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van starten
- form-ofgebiedende wijs van starten
“Daarna start de muziek en begint iedereen mee te zingen en met zijn armen te zwaaien.”
“Ook mijn treinreis start op precies hetzelfde tijdstip: morgen om 09.”
“Zo meteen start het aperitief.”
Vormenstarts(plural) · startje(diminutive, singular) · startjes(diminutive, plural)