/steːk/
HerkomstIn de betekenis van ‘driekantige hoed’ voor het eerst aangetroffen in 1807
- penetratie met een scherp puntig voorwerp
“De steek met die dolk was diep genoeg om flinke schade te doen.”
“Au! Door een felle steek stond ik ineens weer met beide voeten op de grond, ik had kennelijk op een ondergronds wespennest getrapt.”
- korte scherpe pijn
“Hij kreeg ineens een steek in de zij.”
- eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
- bepaald soort hoofddeksel met opgeslagen randen
- in de ~ laten: iemand verlaten in plaats van hulp te verlenen
“Hitler kende geen zelfkritiek. Hij weet dus alle schuld voor zijn falen aan zijn generaals die hem "verraden" hadden en ook aan het Duitse volk dat hem in de steek liet en dat daarom in Hitlers ogen i”
- informalgeen ~ niets
“Rondom Albert hield iedereen even de adem in. Toen barstte het geschreeuw los. De smeerlappen. Die moffen zijn nog geen steek veranderd, wat een smerig tuig! Barbaren, enz. En dan ook nog een jonge en”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
- form-ofgebiedende wijs van steken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
Vormensteken(plural) · steekje(diminutive, singular) · steekjes(diminutive, plural)