sten, /sten/, /steːn/
Herkomsterfwoord via Middelnederlands steen van Oudnederlands steen, in de betekenis van ‘harde delfstof’ aangetroffen vanaf 918
**[3] wellicht onder invloed van Duitse woorden als steinalt, steinhart, steinkalt, steinreich, steintot; vergelijk kei
- masculine, neuter/ harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar ook andere mineralen omvattend
“Huizen worden vaak van steen gemaakt, omdat het zo goed bestand is tegen weersinvloeden.”
“Zittend op een steen aten we wat de pot schafte.”
- masculineeen fragment van deze stof
“Er ligt een kleine steen op het garagepad.”
“Vanachter mijn struik gooide ik wat kleine steentjes naar hem toe.”
“Na uren lopen en een hele tijd zoeken vond ik een vlakke plek voor mijn tent en gooide ik eerst een aantal stenen de struiken in om eventuele slangen te verjagen.”
- informal, intensifier, prefixals linkerdeel van een samengesteld bijvoeglijk naamwoord om de betekenis van het rechterdeel te versterken De eerste betekenis "harde stof" is bij sommige van deze woorden ook mogelijk.
- neutervogelziekte veroorzaakt door het organisme Trichomonas gallinae
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stenen
- form-ofgebiedende wijs van stenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stenen
Vormenstenen(singular) · steentje(diminutive, second-person) · steentjes(diminutive, singular)