/støn/
- iets om op te steunen, te rusten
“Een stabiele steun hielp hem gauw weer op de been.”
“Vanwege het gebrek aan steun echter moesten mijn enkels erg wennen aan het oneffen terrein.”
- morele of materiële hulp
“Dankzij de steun van een studiebeurs ging ze naar de universiteit.”
“De VU laat aan de NOS weten te waarderen dat het werkveld erg betrokken is. "De realiteit blijft echter dat de afdeling Aardwetenschappen langdurig te maken heeft met structurele financiële tekorten, ”
“Het viel hem op dat er veel politie was maar dat ze niet waren uitgerust met witte oproerhelmen en schilden. Dat was een stap vooruit, een kleine overwinning in de strijd tegen het vs-imperialisme. Je”
- informalsociale uitkering
“Werklozen krijgen vaak steun van de overheid.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steunen
- form-ofgebiedende wijs van steunen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steunen
Vormensteunen(plural) · steuntje(diminutive, singular) · steuntjes(diminutive, plural)