/stɛif/
Herkomsterfwoord Ontwikkeld uit Middelnederlands stijf, stif “onbuigzaam”, uit Germaans *stīfa-, verwant aan Engels stiff, Duits steif.
- niet gemakkelijk te vervormen of te buigen
“Een stalen balk is stijf genoeg om dit gewicht te dragen.”
“Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.”
“Soms kwam ik na mijn werk thuis met een stijve kaak van het praten.”
- figurativelyongemakkelijk in de omgang
“Hij is zo stijf als een hark!”
- helemaal, volkomen, totaal, compleet
“„De mensen hebben blijkbaar weer zin in een feestje...”, weet woordvoerder Rik van de Merwe. Zijn feest - Bevrijdingsdag Enschede op de Universiteit Twente - is deze donderdag met 15.000 bezoekers sti”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stijven
- form-ofgebiedende wijs van stijven
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stijven
Vormenstijver(uninflected, comparative) · stijfst(uninflected, superlative) · stijve(inflected, positive) · stijvere(inflected, comparative) · stijfste(inflected, superlative) · stijfs(partitive, positive) · stijvers(partitive, comparative)