stɔk
Herkomstvan Engels stock zn , in de betekenis van ‘voorraad, kapitaal’ aangetroffen vanaf 1824
- dat wat wordt bewaard om pas in de toekomst te gebruiken of te verkopen
“hij moest toch iets doen om zijn familie te onderhouden. Dus handelde hij in parels. Waren we nieuwsgierig om iets van de stock te zien? Ja, zei ik, onwillekeurig rondkijkend naar een brandkast in de ”
- stapel speelkaarten
“"Wil je een spelletje canasta doen?" (…) Ted kondigde een serie vrouwen aan, dus ik legde een klaverdrie om te voorkomen dat hij de stock afgegooide kaarten inpikte.”
- telkens terugkerende regel in een refrein
“In de kamers of bij de vele rederijkersfeesten, waar men van heinde en verre bijeenkwam om het plaatselijk prestige te verdedigen, werden opdrachten gegeven om met een bepaalde slotregel (de stock) ee”
- # verouderde spelling of vorm van stok tot 1805
Vormenstocks(plural) · stockje(diminutive, singular) · stockjes(diminutive, plural)