stul, /stuɫ/, /stul/
HerkomstIn de betekenis van ‘zitplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
“Halen jullie de stoelen even naar buiten, dan gaan we buiten eten.”
“Wat ik zag toen ik me naar het huis omdraaide, zal ik nooit meer vergeten.”
“Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar”
- wortelstel met stengelvoet van een plant (-> bananenstoel)
- obsoletebloembodem
- obsoletepaddenstoel
- onderstel waar iets op rust (-> dakstoel, klokkenstoel, zaagstoel)
- weefgetouw
- faeces, ontlasting 2, stoelgang
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
- form-ofgebiedende wijs van stoelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
Vormenstoelen(plural) · stoeltje(diminutive, singular) · stoeltjes(diminutive, plural)