stut
- groep mensen of dieren die in een lange rij in een bepaalde richting verplaatsen
“Is die stoet nou nog niet afgelopen?”
“Een stoet van honderd auto's heeft zaterdagmiddag overlast veroorzaakt in het centrum en de buitenwijken van Bergen op Zoom.”
- figurativelygrote hoeveelheid
“Oh, daar is een hele stoet van!”
“Rechthebbenden, meervoud, want de auteur is niet de enige die een leenrechtvergoeding krijgt. (…) Dat betekent dat naast de auteur, die financieel echt afhankelijk is van de verkoop van het boek, een ”
- vloerbrood gemaakt uit hogere kwaliteit meel
“Wie geld heeft, kan stoet kopen. Stoet, d.i. wittebrood; de gewone mensen eten roggebrood; het is weer een van die kernachtigheden, waar de Grunneger taal zo rijk aan is.”
Vormenstoeten(singular) · stoetje(diminutive) · stoetjes(diminutive, singular)