strɑk
HerkomstIn de betekenis van ‘erg goed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1987
- nauwzittend, zonder plooien, glad
“Ze draagt een wit T-shirt boven een strakke spijkerbroek.”
“Zijn T-shirt trekt strak bij zijn onderrug.”
- onaangedaan, stoïcijns, zonder blijk te geven van emotie
“Met een strak gezicht houdt hij vol dat hij het niet gedaan heeft.”
“' Ze keek me strak aan en nam nog een trekje.”
“Olive keek strak naar haar bord.”
- streng, strikt, zonder dat er veel vrijheid wordt geboden
“In zijn huis gelden strakke regels.”
“De sporter werkt volgens een strak schema.”
“De strak opgemaakte kamer wist ik in no time te transformeren tot een stinkende rotzooi.”
- zonder franje, rechttoe rechtaan
“Die kunststroming wordt gekenmerkt door functionaliteit en strakke vormgeving.”
- met weinig financiële ruimte, krap
- informalhelemaal in orde
“Wow, wat een strak idee!”
Vormenstrakker(uninflected, comparative) · strakst(uninflected, superlative) · strakke(inflected, positive) · strakkere(inflected, comparative) · strakste(inflected, superlative) · straks(partitive, positive) · strakkers(partitive, comparative)