HerkomstIn de betekenis van ‘lus’ voor het eerst aangetroffen in 901
- een knoop met twee lussen
“Het meisje had twee strikken in het haar.”
- lint of koord in een knoop met twee lussen dat men als versiering om de hals draagt
- val voor dieren
“De stroper had een strik gezet om konijnen te vangen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strikken
- form-ofgebiedende wijs van strikken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strikken
Vormenstrikken(plural) · strikje(diminutive, singular) · strikjes(diminutive, plural)